![]()
![]()
het geseindste blad van het internet
Seingever Odile Verdonckert: 'Het koersen is op sterven na dood.'
De 7000 seingevers die we rijk zijn morren dat de gensters eraf vliegen. Ze zijn boos en het is allemaal de schuld van de pollentiekers, het joods complot, Bush, de mensen, de vreemden, de globalisering, het klimaat, Brussel Vlaams, de gazetten,... Afgelopen weekend hebben zij dan ook verzamelen geblazen en een eisenpakket op tafel en in het aangezicht van de pers gegooid . Dat eisenpakket bestaat uit welgeteld één woord, maar het kan tellen: RESPECT!
Maar omdat er aan de poorten wel eens andere taal wordt gesproken dan binnenskamers, zocht de Frut van Koekestad Odile Verdonckert, nestor onder de seingevers, op in zijn stamcafé De Pedaalstoempers. Het werd een lange monoloog gedrenkt in zelfopoffering, nostalgie en goesting in nog een pintje. Waarin eindelijk onomstotelijk bewezen wordt dat het vroeger eigenlijk allemaal toch beter was. Voor één keer geen grappen en grollen in uw Frut, maar pure tragiek.
|
Odile Verdonckert (tweede - of vierde, naargelang - van rechts): 'Een seingever moet in de eerste plaats autoriteit uitstralen. En natuurlijk ook stijl. Ze noemden mij dan ook graag Dilleke Stilleke' |
Odile Verdonckert: 'Ik
herinner mij nog die koers in Wingene van '74. Ik mocht de plaatselijke
ronde seinen. Godefrood reed toen alleen met twee minuten op kop. Toen
hij langs mij passeerde is hij afgestapt en heeft mij een hand gegeven
om mij te bedanken en dan is hij weer doorgereden. Kijk zie, dat is
vandaag de dag niet meer denkbaar. Als ik dat aan jongere collega's
vertel, dan geloven die mij niet. Ze lachen mij zelfs uit en noemen mij
Odile de Seniele. Da's mijn bijnaam in het milieu: Dilleke Senilleke. Om
maar te tonen hoe de sfeer nu is. Ik zit nu al bijkanst veertig jaar in de stiel en echt waar ik blijf het graag doen, maar als ik tegenwoordig sta te zwaaien met mijne panneau is het niet meer met het heilig vuur van destijds, moet ik eerlijk bekennen. Ik heb mijn eerste koers gedaan in '68, het jaar van Jan Janssen. Maar die kent de jeugd van tegenwoordig al lang niet meer. Thuis waren wij seingevers van vader op zoon. Mijn overgrootvader heeft ooit nog postkoetsen moeten tegenhouden voor de koers, om maar te situeren. Ik ben genoemd naar Odile Defraye, die de Tour won justekes voor de Grote Oorlog. De mens is ondertussen spijtig genoeg al een tijdje dood. En wilde mijne tweede voornaam eens weten? Ge gaat het niet geloven: Abdelkader! Niet omdat er een of andere bruine met krollekes in de familie zit. Da's gewoon van Abdelkader Zaaf. Die zult ge ook niet meer kennen zekerst? Da's diene Algerijnse velokoereur die in de Tour van tvijftig zo zat was onderwegen dat hij afgestapt is en onder een boom is gaan maffen. Toen hij wakker wier, heeft hij ne keer goed gekotst en is dan in tegengestelde richting voortgereden. Ja, ja, dat waren nog eens straffe koereurs. Die maken ze nu niet meer. Mijn eerste koers was een juniorenkoers in Retie. Ik ben daar helegans met mijne bakfiets naartoe gereden. In de gietende regen. En zenuwachtig dat ik was. Al heb ik nu ook nog altijd den trac. Ik zeg altijd tegen die jongeren die beginnen: als ge daar staat te zwaaien en ge hebt gene trac, dan zijt ge geen echte seingever. Maar ja, dan lachen ze mij weer uit, hé. De jeugd van tegenwoordig weet het altijd zoveel beter dan Dilleke Senilleke. Dat komt tegenwoordig met een eigen auto naar de seinpost. Dat zet zich daar op de carrefour met een radioke in het ene hoor en de gsm aan het andere oor en dat zwaait zijne panneau wat in het rond, zonder stijl, zonder overleg, geen enkele liefde voor de stiel. Ge kunt niet geloven wat ik zo soms zie, ik zou er een boek over kunnen schrijven. Maar wat zouden ze, De controleurs van de velobond zitten zelf heelder tijd te sms-sen. En dan verschieten ze dat de automobilisten lastig doen.
|
|
|
Odile Verdonckert (vijfde van rechts): 'De anciens van mijn generatie komen dikwijls achter de koers nog eens bij malkander. Dan is het lachen en gieren geblazen. Want wij seinden tenminste nog met de glimlach.' |
Maar ja, hoe zouden ze
aan liefde voor de stiel geraken? Dat is iets dat moet groeien. Dat moet
ge meekrijgen in uw opleiding, maar die bestaat niet meer. Tegenwoordig
hebben die jong gasten nog geen drie koersen gedaan of ze
denken dat ze de Ronde van Vlaanderen mogen doen. Ik zal u wat vertellen
hé mijnheer: in onze tijd moesten we beginnen met de koersen voor de
jeugd. De juniors, de beloften en zo. Zo leert ge de stiel. Ge groeide
als het ware mee met uw koereurs, en dat schepte een band voor heel de
carriere. Pas als ge twee jaar tereke een goed rapport had
gehad, mocht ge af en toe eens invallen bij de groten, die van de
amateurs. En als ge dan eindelijk, na jaren trainen, voor de eerste keer
werd opgeroepen voor een echte koers bij de beroeps, man toch. Dat was
een beetje gelijk uw plechtige communie doen. Maar ja, als ik dat nu aan
de jongere seingevers vertel, dan vragen ze mij: Dilleke, wat is dat,
een plechtige communie? Zover is het dus gekomen. En toenstertijds
kreegt ge dan ook aanzien in het dorp en ver daarbuiten. Een
seingever bij de beroeps, dat was een mijnheer hé. Daar deden de mensen
hun klak voor af. Maar nu, pfff... Zelfs mijne kleinzoon lacht mij uit.
Boempa Zwaaier noemt hij mij. Ja, da's nu mijn bijnaam in het dorp:
Boempa Zwaaier. Als dank voor veertig jaar hard labeur. En trainen, dat doen ze ook niet meer. Spreek dat woord niet uit tegen die jong gasten of ze steken hun middelvinger uit! Weet ge mijnheer, ik train nu nog altijd élke dag, zelfs als ik op congé ben in Benidorm. Elke avond nadat ik mijn duiven heb gemolken. 's Zomers is dat op mijn binnenkoer, in de winter in de garage. Een dik halfuur, driekwartier. In het hoogseizoen tot anderhalf uur. En één keer per week ook nog eens in 't echt op straat. Dat moet, als ge de feeling wilt blijven behouden. Elke woensdagnamiddag van twee tot kwartje van de drie posteer ik mij op het kruispunt van de Statiestraat en de Ambtenaar Henry De Bruynelei. Ik doe dit namelijk graag. Vroeger was dat zelfs een echte partie plezier. Ik hield het verkeer tegen en de mensen vonden dat tof. Ze kenden mij ook en ze respecteerden mij. Af en toe plakte ik dan ook een rugnummer op het gat van mijne jongste en liet ik hem dan langs fietsen, kwestie van een echte koerssituatie te stimuleren. Het ging zelfs zover dat de mensen mij dikwijls vroegen: Toe Dilleke, wanneer gaat ge het verkeer nog eens stilleggen? Dat waren de gouden jaren tzeventig en tachtig. Maar vandaag de dag ziet ge dan de chauffeurs claxonneren of zelfs gewoon doorrijden. Een mens houdt het niet voor mogelijk. En dikwijls staat de djoemdjoem in hunder auto zo hard dat ze hun eigen geeneens horen toeteren. En mij maar uitmaken voor jeannet, de idioten. Want als er nu wel één sport is waar geen jeanneten in zijn, dan is het wel het seingeven, hé. Dat houdt ge niet vol met al die koereurs in korte broekskes, als ge begrijpt wadak bedoel.
|
|
|
Odile Verdonckert (bovenste van onder): 'We moeten ons constant aanpassen aan de geplogenheden van de streek. In Vlaanderen houden we bijvoorbeeld de chauffeurs tegen met de rechterarm gestrekt. In de DDR lag dat natuurlijk anders. Als ge daar per abuus uw rechterarm opstak, stopten de auto's ook, maar dan begon de zever pas, hé.' |
Natuurlijk willen die
snotneuzen ook direct op stage in het buitenland. Maar versta mij goed:
ze willen niet zomaar de eerste de beste koers seinen in de modder van
Noord-Frankrijk, nee nee. Het moet de Ronde van Mallorca zijn, aan 't
strand, of de Tour Downunder, dat ze verdomme nog niet weten waar
Downunder ligt maar ze weten wel dat daar chique dancings zijn. En
natuurlijk moet het liefke mee op kosten van de Bond. Weet ge mijn
eerste stage? Dat was in '72, drie dagen in de Vredeskoers. Pas op, dat
wier toenstertijds nog verreden in de DDR. Wij zijn daar met een bus
naartoe getrokken, op eigen kosten, en we hebben daar drie nachten
gelogeerd in militaire barakken en letterlijk op water en brood geleefd,
tussen de kakkerlakken. En koud jong, dat kunt ge u niet voorstellen.
Niks afwisseling, buiten het zwaaien met onze panneau. Dat was dan nog
een typisch Oost-Duits bord: veel zwaarder en van een heel ander soort
hout. We zijn thuisgekomen allemaal met ons twee handen vol bleinen.
Maar het is zo en niet anders dat ge een harde seingever wordt met
autoriteit. Zoiets wordt ge niet onder de parasol aan het zwembad.
Daarom vind ik het goed dat er nu ook in China wordt gekoerst. Dan leren
ze tenminste wat het is om met een bord vol rare tekens te zwaaien tegen
chauffeurs die hun talen niet kennen. En de nief van tegenwoordig worden ook zo in de watten gelegd, 't is godgeklaagd. Ze doen in een weekend één koers en daar krijgen ze duizend frank voor plus een kortingsbon bij de Decathlon. Zogauw alsdat ze hun centen hebben trekken ze naar de kroeg. Wij vroeger niet. Wij deden soms twee, drie koersen op een dag. Persoonlijk deed ik er soms vier. Ik koerste met mijn bakfiets van de ene naar de andere wedstrijd, precies of ik zat op een mobylette. Dilleke Mobilleke noemden ze mij toen met respect. Dat was mijn bijnaam in het milieu. Hoe rap het toch kan keren, hé! En wat kregen wij uitbetaald per koers? Twintig frank voor de naft, één drankbonneke en naargelang de organisator een exemplaar van de dag tevoren van De Volksgazet of Sport 70. Als het koud was stak ik die dan onder mijne maillot om weer naar moeder de vrouw te fietsen. Ja, we hadden er wat voor over. Ik ben toen zelfs gestopt met smoren. Als snotaap smoorde ik tot drie pakskes Groene Michel per dag, maar dat kunt ge niet maken als ge staat te seinen. We hebben toch een voorbeeldfunctie voor de jeugd, zeg ik altijd. Maar tegenwoordig: als ge een seingever ziet, dan ziet ge direct ook een jointje. En negen van de tien draagt die dan nog een t-shirt met 'puta de madre' op. Ik zal u eens een anecdote vertellen die ge zeker moet opschrijven voor uw gazet: In het jaar zesentzeventig hebben wij van den Bond voor de eerste keer van die oranje vestjes gekregen. We waren de allereerste in Europa. Als er héél straffe koplampen op schenen, dan reflecteerden ze zelfs een beetje. Vooral 's nachts. En fier dat we waren! Ik ben zelfs in zo'n frakske getrouwd, om maar te zeggen, 'k heb daar nog dia's van. Hoe het nu verder moet? Ik weet het echt niet, jong. Zal ik mijn gedacht eens eerlijk in 't echt zeggen? Ik denk dat het wielrennen naar de vaantjes gaat. Diene Wuyts van de BRT heeft het tijdens de voorbije Tour ook een paar keer gezegd. Het zit fundamenteel fout. En in ons land is het nog het ergste van alleman. Ik mag rondkijken zoveel ik wil, ik zie in de nieuwe generatie seingevers niemand opstaan die de mentaliteit kan veranderen. En zonder seingevers hebt ge geen koers. Zo simpel is dat. In Frankrijk gaat de koers nog wel een tijdje overleven, denk ik. Ik ben dees jaar nog eens uitgenodigd geweest voor Paris-Camembert en daar heb ik wat seingevers gezien waarvan ik dacht: daar zit nog toekomst in. Maar ja, in Frankrijk zijn het dan ook sjampetters die mogen seinen, hé. Die staan op met discipline en die gaan slapen met discipline. Allez, als hun vrouwke Discipline heet, natuurlijk. Grapje. Maar goed, ik heb mijne tijd gehad. Nog een jaar of vier, vijf en ik kap ermee. 't Wordt tijd dat ik mij wat bezighoud met mijn kinderen, na al die jaren. Ik hou maar twee souvenierkes bij: een schoon plakkaatje dat ik van de Bond heb gekregen voor mijn duizendste koers. Daarin staat gegraveerd: Waar men gaat langs
Vlaamse wegen En dan ook nog de koereursklak van de grootste koereur die we ooit hebben gehad: Frans Verbeeck, de melkboer gelijk als ze hem noemden. Nog met de afbeeltenis van zijn merk op: Watney. En met zijn handteken. In de Ronde van Vlaanderen van '75 was hij ontsnapt, samen met Merckx. Hij is toen efkes afgestapt en heeft mij zijn klak gegeven. Zomaar. Merckx heeft toen gewonnen. Maar vertel dat vandaag nog eens aan de jeugd. Wat hoort ge dan? Dilleke Senilleke ... Dilleke Senilleke...'
|
PS: Bij het ter server gaan vernemen we van Simonneke, waardin van De Pedaalstoempers, dat de oom van Odile, Odilon Cleyputter, ook internationaal seingever was en dat hij mocht optreden in de afsluitende tijdrit van de Tour van '68, zo'n elfhonderd meter voor het Parc des Princes. Daar zou gedoodverfd favoriet Herman Vanspringel even gestopt zijn om met hem op de foto te kunnen staan. Jan Janssen snoepte hem uiteindelijk de gele trui af. We hebben uiteraard de ex-renner gecontacteerd, die reeds dikwijls verklaarde dat hij 'ooit wel eens de waarheid over die tijdrit zou vertellen', maar die ontkent noch bevestigt. Wel is het zo dat Odilon Cleyputter sinds die dag en tot aan zijn tragische dood in april '81 in het seingeversmilieu de bijnaam droeg van Dilleke Vanspringelke.